
‘Aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen’ is een tegeltjeswijsheid die met weinig fantasie ook van toepassing kan zijn op een golfbaan. Langs de fairway bloeien immers de fraaiste gewassen.
Maar terwijl de vier seizoenen hun best doen om ons golflandschap met hun schoonheid in te kleuren gaat dat vaak aan ‘de golfer’ voorbij. Want diens aandacht gaat doorgaans volledig uit naar dat kleine witte balletje op zijn eigenzinnige route door de baan. Maar niet bij amateur-natuurkenner Marianne Thiry, die telkens weer andere gewassen in de baan ontdekt. Zij was het ook die enkele jaren geleden aan de oever bij hole 8 de rietorchis ontdekte; een verdwaalde wilde orchidee, beschermd bovendien, die daar ogenschijnlijk achteloos tot bloei was gekomen. Sindsdien voorziet Marianne uw redacteur geregeld van verhalen over alles wat in de baan groeit en bloeit, maar de gemiddelde golfer niet altijd boeit. En dat zijn niet alleen boterbloemen.
Tijd voor een rondje natuur.

Ons samenspel krijgt een extra dimensie als mijn drive zich verschuilt in kniehoog wuivend gras. Terwijl ik tussen de verschillende kleuren groen probeer te achterhalen of ik nog steeds in bounds ben, vult Marianne de maximale zoektijd moeiteloos met een botanische rondleiding. “Het aantal verschillende grassen onderscheiden zich pas van elkaar als ze in bloei staan. Het zijn er tientallen. Je staat nu midden tussen het rietgras, de gewone kropaar en de gestreepte witbol.” Bij elke volgende stap door het wuivende groen bekruipt me een toenemend schuldgevoel. Terwijl ik me vooral bekommer om de schuilplaats van mijn bal herkent Marianne een grote diversiteit aan planten die door de jaren heen zijn komen ‘aanwaaien’ en inmiddels harmonieus samenleven in de Loenense golfpolder. De natuur maakt zelf de mooiste combinaties en heeft sinds de ontginning van de baan in 2007 overduidelijk haar beloop genomen.
Kattenstaarten en dagkoekoeksbloemen
Langs hole 7 worden we opgehouden door een verzameling distels, wikkes, lissen, lisdodden en pompeblêden. Ze twijfelt daarbij hardop over een knikkend wilgeroosje dat zich ertussen heeft genesteld. Maar van de kattenstaarten en dagkoekoeksbloemen is ze heel zeker. Weer iets verder knielt Marianne bij een veldje moerasvergeet-mij-nietjes dat met prachtige kleuren de aandacht afleidt. Het spel gaat verder, totdat mijn bal wederom de fairway mist en in een belendend stukje groen met rode paaltjes belandt. Ik neem mijn verlies en drop een nieuwe bal. Marianne ziet alleen maar zegeningen: “Daar zou best eens een leuk veldje kunnen ontstaan. Ik vermoed alleen dat de greenkeepers daar anders over denken, want het is en blijft natuurlijk wel een golfbaan.”
Zelfs de rijkelijk aanwezige brandnetels krijgen door Marianne’s bevlogen uitleg een sympathiek imago: “Het is de belangrijkste waardplant voor vlinders. Zonder brandnetels zouden de dagpauwoog, de kleine vos, de atalanta, de gehakkelde aurelia en nog meer fladderende soortgenoten niet overleven. Vlinders leggen hun eitjes op de blaadjes van de brandnetel en zodra de rupsen uitkomen beginnen zij hun leven met het eten van het blad.” Terwijl ik behoedzaam probeer te voorkomen dat netelige brandharen zich tegoed doen aan mijn kuiten, besef ik dat een verloren bal soms meer oplevert dan een gevonden exemplaar. De scorekaart wordt er niet beter van, maar mijn kennis der natuur groeit met elke afzwaaier.
Misschien is dat wel een van de vele verborgen charmes van golf.
Ruud Taal


